Vochtmonitoring en risicobeheersing in gebouwen: luchtvochtigheid en temperatuur meten is niet genoeg
Bij Inscio meten we vocht via geleidbaarheid, luchtvochtigheid én temperatuur in gebouwconstructies. Van daken en gevels tot houtconstructies, isolatie en afgesloten holtes. En dat doen we met een goede reden. Door deze drie parameters samen te volgen, ontstaat een beter beeld van wat er in een constructie gebeurt. Waar luchtvochtigheid en temperatuur helpen om trends en afwijkingen te signaleren, geeft het meten van vocht via geleidbaarheid aanvullende informatie over de aanwezigheid van vocht op de meetplek. Dat weten we uit ervaring, op basis van miljoenen metingen.
Luchtvochtigheid is geen harde graadmeter
Wat wij zien in de praktijk: de luchtvochtigheid in een constructie wordt mede bepaald door de omstandigheden tijdens de bouw. Zijn materialen nat geworden tijdens opslag of verwerking? Dan kan de constructie met een hoge luchtvochtigheid beginnen. Is er onder droge omstandigheden gebouwd? Dan kan die juist laag zijn.
Bovendien kan de luchtvochtigheid fors toenemen bij een temperatuurdaling, terwijl er helemaal geen nieuw vocht de constructie binnenkomt. We zien dan ook situaties met 99% luchtvochtigheid, zonder dat we op de meetplek vrij vocht waarnemen.
Een hoge luchtvochtigheid bewijst dus niet dat er een lekkage is. Langdurig hoge luchtvochtigheid kan bij vochtgevoelige materialen wel degelijk een risico vormen. De omstandigheden en de ontwikkeling in de tijd zijn daarom belangrijk.
Met alleen luchtvochtigheid en temperatuur kun je niet vaststellen of er een eetlepel, 10 liter of zelfs 50 liter water aanwezig is. Dat is simpele natuurkunde.
Uitgelegd: simpele natuurkunde
Lucht kan bij een bepaalde temperatuur maar een beperkte hoeveelheid waterdamp bevatten. Is die grens bereikt, dan wordt 100% relatieve luchtvochtigheid gemeten. Bij 20 graden is dat ongeveer 17,3 gram water per kubieke meter lucht. Voor het gevoel: ongeveer één eetlepel water.
Zodra de lucht verzadigd is, vertelt de luchtvochtigheidsmeting niet hoeveel extra water er aanwezig is. Of er nu 10 liter of zelfs 50 liter water in de constructie terechtkomt: de meting kan in beide gevallen 100% luchtvochtigheid aangeven.
Dat maakt sturen op alleen luchtvochtigheid en temperatuur onvoldoende. Je ziet dat de lucht verzadigd is, maar niet hoeveel vloeibaar water aanwezig is of hoe dat zich ontwikkelt.
Het risico? Een constructie wordt onnodig opengemaakt omdat een hoge luchtvochtigheid wordt aangezien voor lekkage. Of een toenemende hoeveelheid water blijft onopgemerkt, omdat de luchtvochtigheid al op het maximum zat.
Monitoring met sensoren en data
Uiteindelijk willen we weten: is er daadwerkelijk vocht aanwezig, neemt het toe en droogt de constructie weer?
Daarom meten we ook geleidbaarheid. Vocht beïnvloedt de elektrische geleiding tussen de meetpunten. Een toenemende geleidbaarheid kan daarmee wijzen op toenemende vochtigheid. De betekenis van die waarde hangt onder meer af van het materiaal en de omstandigheden.
Door deze meting te combineren met luchtvochtigheid en temperatuur krijgen we een beter beeld van wat er gebeurt. Tijdens de bouw helpt dat om vochtbelasting en droging te volgen. Tijdens het beheer helpt het om afwijkingen eerder te herkennen en gericht onderzoek te doen.
Onze praktijkmetingen laten keer op keer zien waarom die combinatie belangrijk is: luchtvochtigheid alleen is niet genoeg.
Voor aannemers, vastgoedeigenaren en beheerders betekent dit: beter onderbouwde beslissingen, gerichtere ingrepen en meer grip op vochtrisico’s in gebouwen.
“Wie alleen luchtvochtigheid en temperatuur meet, krijgt geen zekerheid maar een gok. Vocht (geleidbaarheid) meten is de enige harde waarheid.”

